Kunsteducatie

Tijdens het congres Toekomst Arbeidsverhoudingen Kunsteducatie in de 21e eeuw op maandag 24 oktober georganiseerd door Stichting OAK, waren geen eenduidige oplossingen te vinden voor de problematiek in de kunsteducatie. Onderzoeker Arjan van den Born van de Universiteit van Tilburg presenteerde de resultaten van zijn onderzoek naar De arbeids­verhoudingen in de kunsteducatie in de 21e eeuw. Onderwerp waren de specifieke problemen die in de kunsteducatie aan de orde zijn. De Wet Werk en Zekerheid (WWZ) en de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) samen met de veranderende houding van de politiek ten aanzien van de culturele sector hebben grote gevolgen gehad. Door de invoering van de WWZ hebben docenten voor het eerst ontslagbescherming. Het voor de sector belangrijke ontslag vanwege leegstand door autonome daling werd hierdoor onmogelijk gemaakt. Daarom hebben de sociale partners een sectorale ontslagcommissie opgericht. De WWZ zou werkgevers moeten stimuleren om mensen sneller in dienst te nemen. In de kunsteducatie pakt dit echter vaak tegenovergesteld uit. De wet DBA verschuift de verantwoordelijkheid van het aantonen of er sprake is van een gezagsverhouding van zelfstandig ondernemer naar de opdrachtgever.

Door teruglopende gemeen­telijke subsidies zien kunstencentra zich gedwongen om rigoureus te reorganiseren. Hierbij moeten docenten het relatief vaak ontgelden. De afgelopen jaren is een trend ontstaan waarbij nog wel subsidie is voor een kleine, ondersteunende organisatie, maar niet meer voor vakdocenten. Gemeenten leggen regel­matig op dat subsidie niet naar loonkosten van docenten mogen gaan. Kunstonderwijs moet kostendekkend en hierdoor hebben veel kunstvakdocenten te maken gekregen met een ingrijpende inkomensterugval. Een groeiende groep werknemers neemt zijn toevlucht tot al dan niet gedwongen zelfstandig­heid als zzp’er.

Mariëtte Hamer van de Sociaal Economische Raad (SER) schoof in de podiumdiscussie aan. Zij sprak over de Verkenning arbeidsmarkt culturele sector die de SER heeft verricht in opdracht van Jet Bussemaker. Hamer nam ook het rapport van Tilburg University in ontvangst.

Doordat gemeentelijke politiek grillig kan zijn, hebben organisaties behoefte aan financiële flexibiliteit. Veel organisaties dekken dit af door het werk door zzp’ers te laten verrichten. Werknemers in de kunsteducatie hebben juist behoefte aan werkzekerheid en regulering van de concurren­tie op prijs, die kan leiden tot een ‘race to the bottom’. Uit het onderzoek van Van den Born blijkt dat 65% (!) van de zzp’ers een tarief vraagt dat beneden de €40 per uur ligt. Hamer benadrukte dat ze zich zorgen maakt over de groeiende groep zzp’ers in de culturele sector. Ten eerste vanwege de onvrijwilligheid waarmee werknemers regelmatig in zelfstandig ondernemerschap worden gedwongen. Ten tweede vanwege de onmogelijk­heid om bij dit soort gehanteerde tarieven nog sociale verzekeringen als voor pensioen en arbeidson­geschiktheid te regelen.

Van den Born heeft in zijn onderzoek ook geen kant-en-klare oplossing voor handen. Hij signaleert dat er verschillende soorten organisaties zijn: traditioneel, flexibel en innovatief. De innovatieve organisatie lijkt de meest gunstige organisatievorm. Hij raadt de sector aan om uitgebreide proeftuinen te organiseren, waarin gezocht wordt naar oplossingen om organisaties en arbeidsverhoudingen toekomstbestendiger te maken.

Bekijk HIER de resultaten van het onderzoek van Arjan van den Born.

Lees HIER het rapport van de SER: Verkenning arbeidsmarkt culturele sector.

foto: Arend Bloemink

22 december 2017