AVV: de democratische vakbond

Weer een stapje in de richting van rechterlijke toetsing 


Ik wilde een column schrijven over de impact van de oorlog in Iran op de (Europese en Nederlandse) inflatie. Echter, op de dag van schrijven van deze column (24 maart) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een belangrijke uitspraak gedaan1. Die is ook nog eens zeer actueel, dus die wil ik graag onder de aandacht brengen.  

Het is een beetje een technische uitspraak, dus eerst wat uitleg.  

Nederland is lid van de EU, of in het formele jargon: een lidstaat van de EU. 

De lidstaten van de EU zijn gebonden door hun nationale wetgeving maar ook door EU-wetgeving. De EU-wetten staan boven de nationale wetgeving, maar EU-wetgeving is niet altijd van toepassing.  

Om ervoor te zorgen dat alle EU-lidstaten de EU-wetgeving op dezelfde wijze uitleggen, kunnen rechters zogenaamde prejudiciële vragen aan het uropese Hof van Justitie stellen. Zij zijn daartoe niet verplicht. Ook procederende partijen kunnen aan de rechter vragen of die prejudiciële vragen wil stellen. Deze prejudiciële vragen worden ook wel omschreven als ‘toetsen aan het EU-recht’. Dat is natuurlijk vooral van belang, als het EU-recht bijvoorbeeld meer, betere of duidelijkere bescherming biedt dan de nationale wetgeving.  

De uitspraak waar deze column over gaat, betreft een rechtsgang in Nederland. Nederlandse rechters plegen een verzoek om aan het EU-recht te toetsen af te doen zonder motivering (de term die rechters dan gebruiken heet: ‘met verkorte motivering’, vaak dus heeeeeel kort). Het EU-Hof van Justitie heeft nu geoordeeld dat de hoogste nationale rechter in principe altijd moet motiveren waarom die niet wil toetsen aan het EU-recht. Er gelden drie uitzonderingen: als de aan de orde gestelde vraag van EU-recht niet relevant is, als de betrokken bepaling van EU-recht al eerder door het EU-Hof van Justitie is uitgelegd of als die uitlegging zo voor de hand ligt dat daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan. 

Veel advocaten reageren juichend op LinkedIn, juist omdat zij vaak meemaken dat de hoogste nationale rechter (de Raad van State bijvoorbeeld) de toets aan EU-recht makkelijk wegwuift.  

Ook voor AVV is deze uitspraak relevant. Ik schreef er eerder over dat wij in de sector beveiliging een cao sluiten die vervolgens door de minister wordt overruled. Dat betekent dat de werkgevers met wie wij die cao sluiten bepaalde artikelen niet mogen toepassen, maar in plaats daarvan artikelen uit een andere cao (de algemeen verbindend verklaarde sector-cao) moeten toepassen.  

Volgens ons is dit in strijd met de vrijheid van onderhandelen die vakbonden hebben op grond van artikel 28 van het Europees Handvest van grondrechten. Pogingen om deze strijdigheid aan het EU-recht te toetsen liepen steeds spaak, omdat de rechters dit verzoek gewoon, dus zonder enige motivering, terzijde legden. Met deze uitspraak in de hand kunnen we afdwingen dat in elk geval de hoogste nationale rechter aan het EU-recht moet toetsen, of die nu wil of niet.  

Martin Pikaart - voorzitter AVV

27 maart 2026

© 2017 AVV - PrivacyDisclaimer

Verenigingenweb
Cancel